Aan het einde van iedere congresperiode publiceren wij een tekst, een congrestekst, waarin wij onze visie op het onderwijs en de arbeidsomstandigheden van het personeel neerschrijven. De laatste congrestekst is voorbereid door Chico Detrez en behandelt twee thema’s: kwaliteit en niveau van het onderwijs en digitale transformative & onderwijs.
In debatten slaat men elkaar om de oren met begrippen die bijna letterlijk dooddoeners zijn en die iedereen op zijn manier invult, bijvoorbeeld kwaliteit. Hoe definieer jij kwaliteit in het onderwijs?
Kwaliteit is een containerbegrip. Dat maakt dat men vaak gewoon naast elkaar zit te praten wanneer het over kwaliteit gaat. Het is aan de andere kant een heel moeilijk te definiëren begrip. Het bestaat uit tal van factoren. De doelstellingen en inhouden in onderwijs, de strategieën, de mensen – zowel de leerkrachten als de leerlingen – en dan de hele context waarin dat zich afspeelt. Daarin moet je zowel het leerproces in de klas zien tot het onderwijsbeleid zoals het gevoerd wordt. Al die zaken hebben een invloed op de kwaliteit. De complexiteit – de inspectie hanteert 37 indicatoren om de kwaliteit van een school te bepalen – maakt ook dat je onderwijskwaliteit heel moeilijk in één cijfer kan vatten.
Een discussie over kwaliteit is ook altijd een ideologische discussie, want ideologie bepaalt welke doelen en inhouden relevant zijn. Voor onze vakbond heeft het onderwijs in de eerste plaats een emancipatorisch doel. Wij pleiten voor een politieke en economische emancipatie en voor de kennis en de vaardigheden die daarvoor nodig zijn. Dat spoort niet met de doelstellingen zoals ze nu op tafel liggen.
We worden in de media geconfronteerd met vaak alarmerende cijfers over het niveau van ons onderwijs. Cijfers zijn cijfers, kan men zeggen, maar zijn ze echt waardenvrij?
Ook hier is er sprake van een ideologische keuze. Er wordt vooral waarde gehecht aan welbepaalde vakken: wiskunde/rekenen, Nederlands. Andere vakken, talige, historische, geografische, artistieke en esthetische, worden blijkbaar niet belangrijk genoeg gevonden om deel uit te maken van kwaliteitsvol onderwijs. Een ander aspect is dat de cijfers in de eerste plaats van de PISA-onderzoeken komen. Die gaan uit van de OESO, een organisatie die opgericht is om landen te helpen bij economische groei en economische ontwikkeling. Alle zaken die zij brengen, liggen in die lijn. Bovendien zijn het internationale onderzoeken. De validiteit van die toetsen moet je serieus nuanceren. De eindtermen of de minimumdoelen zijn niet in alle landen dezelfde. Er zijn ook bijvoorbeeld duidelijke verschillen in de manier waarop bij ons wiskunde ingevuld wordt en hoe dat in andere landen gebeurt. Andere factoren die een invloed hebben zijn o.a. de culturele context en de voorkennis bij de leerlingen. Het is ook dan moeilijk om die cijfers van die verschillende landen op één schaal te zetten en die schaal dan nog eens te gebruiken om rangschikkingen te maken. Een belangrijk neveneffect van al die internationale onderzoeken is dat het doel verschuift. Het behalen van goede cijfers op die toetsen, wordt een doel op zich.
Als we dan toch zouden aanvaarden dat het niveau van ons onderwijs daalt, waaraan is dat dan volgens jou te wijten?
Ik wil die daling nuanceren. De onderzoeken zijn te specifiek op enkele vakken gericht om te veralgemenen tot DE kwaliteit van HET onderwijs. Er is er meer dan een oorzaak van die daling en ook hier spelen weer verschillende factoren mee. In het verleden werd vanuit het beleid en de koepels zaken gepromoot die nu als grote schuldigen worden voor het kwaliteitsverlies worden aangewezen. Ik denk hier bijvoorbeeld aan zelfsturend leren en competentiegericht onderwijs of communicatieve taalvaardigheid. Dat heeft gewogen op het belang van theoretische kennis, die nu naar voor geschoven wordt. Al valt er over de invulling die de kennis krijgt, nog wel wat vragen te stellen. Maar, best leuk dat ‘onze vriend’ Dirk Van Damme vanuit de OESO jarenlang competentiegericht onderwijs gepromoot heeft, nu zijn kar heeft gekeerd.
Dat is ongetwijfeld voortschrijdend inzicht.
Ja, zo kan je dat noemen. Alleen jammer dat nu scholen en leerkrachten met de vinger worden gewezen. De daling van de onderwijskwaliteit is ook contextgebonden. Neem de leesvaardigheid die erop achteruit gaat. Er is een algemene daling van de leescultuur in onze maatschappij. Dat zal niet losstaan van de plaats die de beeldcultuur nu inneemt en het veralgemeend schermgebruik.
In je tekst stel je verschillende remedies voor om het niveau weer op te krikken. Als je er een mag uitlichten om hier voor te stellen, welke neem je dan?
Dat is een moeilijke keuze. Wat ik belangrijk vind, is de noodzaak aan een integrale aanpak. Het beleid, ook vandaag, steeds erg partiële maatregelen. Wil je werk maken van kwaliteit, dan moet je een cluster van beleidsbeslissingen nemen die rekening houdt met alle aspecten van het maatschappelijk leven. Hoe zit het met de invloed op onderwijs van bijvoorbeeld de uitsluiting van langdurig werklozen, de toename van de sociale ongelijkheid, de huisvestingsproblematiek? Wat betekenen het gebruik van sociale media, het lerarentekort en ga zo maar door, voor onderwijs. Zonder integrale aanpak blijven het druppels op een hete plaat.
Ja, maar mensen kunnen al die maatregelen lezen in onze tekst die ze kunnen bestellen, maar welke van die maatregelen is de belangrijkste?
Een erg dringende zaak is het lerarentekort. ACOD heeft daar een negenpuntenplan voor. Het staat eveneens voor een integrale aanpak. Dat bevat thema’s aan zoals verloning, waardering , werkbaarheid, enz. Op dit moment zitten we in een vicieuze cirkel. Door het tekort aan leerkrachten is er een grotere uitval van leerkrachten die in een burn-out gaan omwille van de werkdruk en veel beginnende leerkrachten geven er binnen de kortste keren de brui aan omwille van o.a. diezelfde werkdruk.
Het tweede deel van je tekst gaat over de digitale transformatie en het onderwijs. Wat bedoel je daarmee?
Onze samenleving ondergaat een digitale transformatie. De digitale technologie dringt door in alle maatschappelijke gebieden. Die transformatie gaat niet alleen erg breed, ze gaat ook bijzonder snel. Neem het fenomeen van de artificiële intelligentie. GPT werd in 2022 gelanceerd, vandaag is het in de meeste software programma’s geïntegreerd.
Ook het onderwijs ontsnapt niet. De digitalisering vinden we in de kennis en vaardigheden om met de digitale technologie en media te werken, als leerhulpmiddel, communicatiemiddel, controlemiddel, enz. De gevolgen zijn verregaand. Neem bijvoorbeeld Smartschool. Het brengt de druk met zich mee om voortdurend bereikbaar te zijn. Ouders kunnen bij manier van spreken voortdurend op je vingers kijken. Gegevens over leerlingen worden digitaal opgeslagen. In de Verenigde Staten verkopen softwarebedrijven deze gegevens door aan bedrijven, die ze gebruiken voor gerichte aanwervingen.
Digitalisering wordt vaak voorgesteld als hulpmiddel voor routineuze taken. Op het vlak van schooladministratie kan ik mij daar wat bij voorstellen. Maar als het gaat over zaken zoals het verbeteren van taken d.m.v. artificiële intelligentie, dan liggen de zaken toch wel anders.
Open vragen dreigen daarmee te verdwijnen. Niet-digitale aspecten bij het beoordelen van leerlingen en studenten raken buiten beschouwing.
Een ander belangrijk gevolg van de digitale transformatie is dat leren niet langer gebonden is aan tijd, ruimte en fysiek contact. Het afstandsonderwijs heeft met de COVID-epidemie zijn intrede gedaan en verovert sindsdien langzaam maar zeker meer plaats.
Moeten we niet bang zijn voor jobvorlies? Een voorbeeld. Ik huur voor drie of vier euro een taalapp in Google Play of in een appstore van Apple, waarom zou ik dan nog 300 of 400 euro betalen voor de avondschool Spaans. Denk jij dat de leerkracht echt overbodig kan worden of is dit gewoon doemdenken?
Wat de prijsverhogingen voor de taalcursussen in het volwassenenonderwijs betreft denk ik dat die digitale mogelijkheden om een nieuwe taal te leren een argument kan zijn. Met het huidige lerarentekort denk ik dat de vrees voor jobverlies niet onmiddellijk aan de orde is. Verschuivingen zullen er wel plaatsvinden. Kijk maar naar de bezuiniging op de middelen voor omkadering in datzelfde volwassenenonderwijs. De Vlaamse regering wil maar al te graag de 350 leerkrachten die in het volwassenenonderwijs boventallig worden, overhevelen naar het basis- en secundair onderwijs.
Als ik aan AI vraag of de digitalisering van het onderwijs het goede zaak is, dan krijg ik als antwoord een opsomming van voor- en nadelen. Wat is voor jou het belangrijkste voordeel én de grootste bedreiging?
Ik zie mogelijk twee belangrijke voordelen: zoals ik al vermelde, het afhandelen van routinetaken en als communicatiemiddel. Maar ik zeg ‘mogelijk’, want alles hangt af van de manier waarop het toegepast wordt en hoe het gereglementeerd wordt. Het gevaar om in onderwijs taken te verengen tot routineuze taken door alles wat niet in data te vangen is weg te knippen, is groot. Strikte regels in verband met het gebruik als communicatiemiddelen zijn nodig en de naleving moet zorgvuldig bewaakt worden.
De grootste bedreiging vanuit de digitale transformatie is de verregaande controle. ‘Big Brother’ is een realiteit geworden. Niet alleen in het onderwijs, maar in de ganse samenleving. We verliezen onze privacy. Het besef voortdurend gecontroleerd te (kunnen) worden weegt zwaar en zorgt mee voor werkdruk.
Eén van de grote sterktes van het onderwijs, de autonomie waarover je beschikt om je opdracht in te vullen, verdwijnt als sneeuw voor de zon. Digitale evaluatie- en leerlingvolgsystemen maken dat leerkrachten zich voortdurend bekeken en gecontroleerd voelen. Het bijzondere is, dat de controle niet effectief hoeft te gebeuren. Een directie is niet in staat zijn ganse leerkrachtenteam op al de parameters die de digitale systemen aanreiken, te controleren. Maar, het gegeven dat men je ten allen tijde kàn controleren, is nefast.
Tot slot: hoe beoordeel je de maatregelen die minister Demir eind december heeft gelanceerd?
Ik ben het met Nancy, de algemeen secretaris, eens. Zij heeft de maatregelen ogenblikkelijk als symboolpolitiek bestempeld. Demir heeft vooral het stereotype beeld van onderwijs nog maar eens bevestigd: veel vakantie, veel vrije dagen, weinig effectieve lestijd. Dat het niet over vrije dagen voor leerkrachten ging, maar over lesvrije dagen voor leerlingen, die nuance werd niet gemaakt. Over het gegeven dat wij in Vlaanderen boven het Europees gemiddelde zitten wat het aantal uren dat leerlingen les krijgen, werd heengestapt. Het idee dat we met de afschaffing van twee halve dagen pedagogische studiedag en het organiseren van volwaardige lesuren de laatste dag van het schooljaar, een serieuze stap richting kwalitatief hoogstaand onderwijs zullen zetten, lijkt wel uit het programma ‘De ideale wereld’ te komen.
Neem de keuze voor de maatregel dat in het secundair onderwijs niet iedereen op de klassenraden aanwezig hoeft te zijn. De directeur mag uitmaken wie wel en wie niet. Tegelijkertijd moet de directeur de opvang van de leerlingen geregeld krijgen. Je voelt met de natte vinger zo welke vakken niet belangrijk genoeg zullen gevonden worden om mee over leerlingen te beslissen en adviseren: lichamelijke opvoeding, levensbeschouwelijke vakken, …
De samenhang van de verschillende maatregelen die op ons afkomen, maakt mij bijzonder ongerust. Ik denk hier aan het plan ‘Goed gedragen, van ongewenst gedrag naar leerondersteunend gedrag’, het kennisrijk curriculum en de effectieve didactiek. Allemaal sporen ze op een en dezelfde lijn: meer uniformiteit, meer discipline, minder autonomie voor de leerkrachten. Zelden werd de pedagogische vrijheid – de vrijheid van de leerkracht en de school om aan de slag te gaan met een eigen pedagogische visie, zo sterk bedreigd. De technisch-rationele visie achter het beleid van de minister en de Vlaamse regering staat haaks op de emancipatorische visie van ACOD Onderwijs. De ruimte voor de kennis en vaardigheden die nodig zijn om jonge mensen in staat te stellen de werkelijkheid in al haar veelzijdige en tegengestelde aspecten te begrijpen en vanuit objectieve feiten te beoordelen, staat zwaar onder druk.
Je kan de volledige congrestekst hier bestellen.
